Een Nederlander in de wildernis

Robert Jacob Gordon is vrijwel vergeten in Nederland. Maar in de achttiende eeuw was deze Nederlander met Schotse wortels een bekendheid. Hij maakte lange reizen door het nog ongerepte Zuidelijk Afrika en liet ons een fabuleuze verzameling journaals, kaarten, tekeningen en schilderijen na.

Deze “Atlas Gordon” bevindt zich tegenwoordig in de collectie van het Rijksmuseum. Gordon biedt ons een unieke blik op het tijdperk van de Verlichting, toen kolonialisme samenging met een enorme honger naar kennis. Hij was bevriend met zowel vooraanstaande wetenschappers als inheemse stamhoofden. Hij was militair en diplomaat, botanist, zošloog, cartograaf en antropoloog. Op zijn geheel eigen wijze verbeeldt hij het Verlichtingsideaal.

Luc Panhuysen beschrijft in dit boek de persoon Gordon en zijn ontdekkingsreizen, aan de hand van origineel bronmateriaal. Wij maken zijn ontberingen en hoogtepunten mee vanaf de eerste ontdekkingsreis tot aan zijn dramatische levenseinde, dat vrijwel samenviel met het einde van de Nederlandse republiek.

 

(Blz 13-14:) “Voor tijdgenoten was de persoon van Gordon onverbrekelijk met zijn reizen verbonden. Waar hij ook kwam, hij was de vreemdeling; maar hoe vreemd hij ook was, hij blonk uit in de handreiking, in het overschrijden van de grens en het wegnemen van argwaan en onbehagen. Tijdgenoten, of die nu Europeaan waren of inlander, raakten onder de indruk van zijn persoonlijkheid, zijn verschijning, zijn verhalen en wat hij vertegenwoordigde.
Gordon wist goed om te gaan met vreemde volken. Kaffes, Hottentotten en Bosjesmannen waren verbluft een ‘witvel’ te ontmoeten met wie ze in hun eigen taal konden communiceren. Deze blanke gedroeg zich bovendien als de perfecte gast: voornaam, vrijgevig en aanpassingsbereid. Ze voelden zich gevleid door zijn nieuwsgierigheid naar hun gebruiken en hun cultuur. Ze lieten zich inpakken door zijn charme wanneer hij tijdens een traditionele dans zijn aantekenboekje opzij legde en met beginnerschroom meedanste. Wanneer Gordon daarna een Nederlands lied ten gehore bracht, werd hij luidkeels nagezongen. Als hij voor het oog van de hele kraal zijn pijp met een vergrootglas aanstak, viel een verbijsterde stilte. In het van mgie doordrongen leven van de inlanders waren blanken ontewenste indringes, maar voor deze witte tovenaar maakten ze een uitzondering.””

(95:) “Sinds mensenheugenis heeft de giraffe verbazing opgeroepen, omdat hij iets ongerijmds heeft. Met zijn hoogte van vijf meter is hij niet alleen imponerend, hij is ook delicaat. De samenstelling van een kort lichaam tussen lange poten en een nog langere nek lijkt slecht doordacht. Wanneer hij loopt, is dat een wiebelige aangelegeheid. Een giraffe in volle galop is een wonderlijke combinatie van evenwichtsproblemen en gratie. Hij is dan ook niet gebouwd om vooruit te komen, maar omhoog. De giraffe leeft in een droog gebied en voedt zich met het groen waar de andere dieren niet bij kunnen. Gedurende vele duizenden jaren van evolutie heeft hij zich bekwaamd in één ding. Zijn hele anatomie is bedoeld om twee zachte, zoekende lippen zo hoog mogelijk in de boomkruin te laten reiken. Zodoende kan hij bij de blaadjes waar zelfs de kleinste apen van af moeten zien. (…) Zoals de Oranjerivier Gordons meesterwerk moest worden in de cartografie, wilde hij met de ontdekking van de giraffe zoölogische geschiedenis schrijven.”

bestel hier

Recensie
Trouw, 2010: “Je ruikt, hoort en ziet hoe de boeren leefden!”
Lees verder